Het Nederlandse pensioenstelsel bestaat uit de volgende pijlers:
1. de Algemene Ouderdomswet (AOW): een basispensioen dat iedereen die in Nederland woont of werkt automatisch opbouwt. Werkenden betalen jaarlijks premies voor de uitbetaling van de AOW van anderen in datzelfde jaar (dit heet 'omslagstelsel')
2. een aanvullend pensioen via de werkgever: werkenden zetten via premies geld opzij voor later. Pensioenfondsen beleggen dit geld om rente op te brengen (dit heet 'kapitaaldekkingsstelsel'). Hierdoor krijgen gepensioneerde werknemers een aanvullende uitkering bovenop de AOW-uitkering. De hoogte van de AOW wordt (tot nu toe) jaarlijks aangepast aan de ontwikkeling van het minimumloon.
Het totale pensioeninkomen in Nederland is op deze manier goed vormgegeven. In internationale vergelijkingen komt het steeds als de beste of een van de beste uit de bus. Toch is de koopkracht van de aanvullende pensioenen sterk achtergebleven, ondanks de enorme kapitalen waarover pensioenfondsen beschikken. Dat geldt voor zowel de huidige werkenden als voor gepensioneerden.
De gepensioneerden ervaren dit als enige groep direct in hun koopkracht. Al meer dan tien jaar lang! Dit koopkrachtverlies bij PFZW is inmiddels al opgelopen tot ruim 30%.